De eindopdracht van Nihad Grabus
- FACTOR-i
- 30 jun
- 3 minuten om te lezen
Voor de JIMtraining is er aan Nihad gevraagd om een eindopdracht te maken. Onze trainer en kwartiermaker Jaime Quevedo Klein Haneveld vertelde ons over Nihad Grabus. Hij werkt in het wijkteam Oude Noorden in Rotterdam. Door de blog kwam er een mooi gesprek op gang in het team van Nihad over bio on-logisch hulpverlenen in Nederland. Volgens Nihad is de JIMaanpak de eerste methodiek die er echt weer toe doet volgens zijn bril als evolutionair bioloog. Hieronder lees je zijn opdracht.
Mijn kijk op de JIMaanpak vanuit een evolutionair-psychologisch perspectief
Wanneer ik naar de JIMaanpak kijk, doe ik dat niet primair vanuit het perspectief van een hulpverlener, maar vanuit mijn achtergrond en interesse in evolutionaire biologie en evolutionaire psychologie. Daardoor kijk ik niet alleen naar de directe effecten van een interventie op een jongere of gezin, maar ook naar de bredere vraag hoe systemen menselijk gedrag beïnvloeden over meerdere generaties.
Mijn uitgangspunt is dat mensen, net als andere organismen, voortdurend reageren op de omgeving waarin zij leven. Gedrag ontstaat niet in een vacuüm. Wanneer de omgeving verandert, veranderen ook de gedragsstrategieën die mensen ontwikkelen. Evolutionaire psychologie gaat ervan uit dat mensen zich voortdurend aanpassen aan de prikkels, kansen, risico's en vangnetten die zij ervaren. Daarbij gaat het niet alleen om bewuste keuzes, maar juist ook om onbewuste verwachtingen, automatische gedragingen en impulsieve beslissingen.
Vanuit die bril kijk ik kritisch naar de voortdurende uitbreiding van professionele hulpverlening. Hoewel de intenties achter jeugdzorg positief zijn, vraag ik mij af welke langetermijneffecten ontstaan wanneer professionele ondersteuning steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel wordt van de sociale omgeving. Naar mijn mening wordt vaak onderschat dat het bestaan van een vangnet zelf ook een omgevingsfactor is waarop mensen reageren.
Wanneer mensen gedurende meerdere generaties opgroeien in een samenleving waarin ondersteuning grotendeels wordt geprofessionaliseerd, ontstaat het risico dat verantwoordelijkheden die vroeger vanzelfsprekend binnen familie, buurt of gemeenschap werden opgelost, steeds vaker worden uitbesteed aan specialisten. Vanuit evolutionair perspectief zou dat kunnen leiden tot een afname van de noodzaak om zelf sociale netwerken te onderhouden, conflicten op te lossen of langdurig verantwoordelijkheid te dragen voor anderen. Vaardigheden die minder noodzakelijk worden, worden immers ook minder ontwikkeld.
Ik zie daarnaast een breder mechanisme. Mensen nemen dagelijks duizenden beslissingen die niet het resultaat zijn van een rationele kosten-batenanalyse. Veel gedrag ontstaat impulsief of automatisch. De sociale en institutionele omgeving speelt daarbij een belangrijke rol. Wanneer een samenleving uitgebreide vangnetten organiseert, beïnvloedt dat onvermijdelijk de context waarbinnen mensen handelen. Vanuit evolutionaire psychologie is het daarom niet ondenkbaar dat de aanwezigheid van professionele hulpverlening zelf invloed heeft op gedragskeuzes, verwachtingen en verantwoordelijkheidsgevoel. Mijn hypothese is dat dit op lange termijn zelfs kan bijdragen aan een toenemende vraag naar professionele ondersteuning, omdat mensen zich aanpassen aan de aanwezigheid ervan.
Vanuit diezelfde gedachte zie ik de huidige groei van de jeugdzorg niet uitsluitend als een gevolg van toenemende problematiek, maar mogelijk ook als een gevolg van de structuur van het systeem zelf. Elk systeem beïnvloedt namelijk het gedrag van de mensen die er gebruik van maken. Naarmate professionele hulp toegankelijker en vanzelfsprekender wordt, ontstaat de kans dat steeds meer situaties binnen het domein van professionele hulpverlening terechtkomen. Daardoor groeit niet alleen het aanbod, maar ook de maatschappelijke verwachting dat professionals een oplossing moeten bieden.
Juist daarom spreekt de JIMaanpak mij aan. De JIMaanpak probeert ondersteuning niet direct buiten het natuurlijke sociale netwerk te organiseren, maar juist daarbinnen. Dat sluit beter aan bij hoe menselijke samenlevingen gedurende vrijwel onze gehele evolutionaire geschiedenis hebben gefunctioneerd. Mensen werden grootgebracht, ondersteund en gecorrigeerd door een netwerk van vertrouwde personen. Problemen werden in eerste instantie opgevangen door familieleden, vrienden, buren en andere belangrijke personen uit de directe omgeving.
Een JIM is in dat opzicht geen traditionele hulpverlener, maar eerder een versterking van een natuurlijk sociaal mechanisme dat al duizenden generaties bestaat. Natuurlijk blijft er sprake van een vorm van externe sturing, omdat professionals helpen bij het identificeren en activeren van een JIM. Toch verschuift de kern van de ondersteuning terug naar het sociale netwerk zelf. Dat vind ik een fundamenteel verschil.
Voor mij ligt daar ook de grootste waarde van de JIM-aanpak. Niet omdat professionele hulpverlening overbodig zou zijn, maar omdat een samenleving uiteindelijk niet onbeperkt professionals kan blijven toevoegen aan problemen die van oorsprong sociaal van aard zijn. Economisch is dat niet houdbaar, maar belangrijker nog: het risico bestaat dat mensen steeds minder worden geactiveerd om hun eigen sociale hulpbronnen te benutten.
Vanuit evolutionair-psychologisch perspectief zie ik de JIMaanpak daarom niet alleen als een interventie voor individuele jongeren, maar als een stap richting een samenleving waarin sociale netwerken opnieuw een centralere rol krijgen. Een samenleving waarin mensen, waar mogelijk, eerst worden geholpen door de mensen die al onderdeel zijn van hun leven, voordat professionele systemen worden ingezet. Dat sluit naar mijn overtuiging beter aan bij de manier waarop menselijke samenwerking, verantwoordelijkheid en wederzijdse ondersteuning zich gedurende onze evolutionaire geschiedenis hebben ontwikkeld.

Opmerkingen